Het gezin Staring-Koekkoek

Het gezin Gradus Staring-Grada Koekkoek; Angerlo
Bij ons in de woonkamer hangt een schilderij, vervaardigd door oom Albert. Het stelt mijn ouderlijk huis in Angerlo voor, waar mijn vader Gradus Staring zijn hele leven heeft gewoond en mijn moeder Grada vanaf 2 september 1913.
Mijn vader werd geboren in Angerlo op 13 juni 1878; mijn moeder in Loenen 13 september 1890. Ik weet niet hoe mijn ouders elkaar hebben leren kennen, noch of ze elkaar ooit geschreven hebben.
Vader was de oudste van een gezin van twaalf kinderen, waarvan de jongste, oom Bertus ruim 90 jaar werd. Opa Henricus Staring is op 22 december 1901 op 57-jarige leeftijd overleden te Angerlo, zodat mijn vader met zijn 23 jaren al vroeg de zorgen voor de boerderij en voor de jongere broers en zusjes deelde met zijn moeder Elizabeth Staring-Verwaaijen. Deze was geboren op 2 maart 1853 te Wehl en ze stierf in Angerlo op 18 mei 1911.

Pentekening van het ouderlijk huis; gemaakt door Pater Jan Koekkoek

Het gezin Staring

Vaders jongste broer Bertus heeft nog tot het begin van de dertiger jaren bij vader en moeder ingewoond en op het bedrijf meegewerkt.
Moeder werkte als jong meisje op Huize Baak bij de familie Helmich. Naar ik meen was ze daar in de keuken. Ze heeft er waarschijnlijk goed leren koken, want de maaltijden bij ons thuis waren altijd smakelijk.
Vader en moeder trouwden op 2 september 1913 in Loenen, tegelijk met Oom Jan Koekkoek en tante Doortje en hun adres was eerst Kloosterstraat A35, later gewijzigd in Het Klooster 9.
Men zei dat daar in de buurt vroeger een klooster gestaan zou hebben.
Eenmaal in Angerlo, deed mijn moeder niet alleen het huishouden, maar ze werkte ook dapper mee op de boerderij. Op een gemengd bedrijf met verspreid liggende akkers en weilanden was altijd volop werk. Een stuk weiland bijvoorbeeld lag halfweg Zevenaar en een stuk bouwland midden in het Bingerdense bos.
Vader en moeder kregen elf kinderen, waarvan de oudste, de ‘grote Wim’ op 30 december
1920 op zesjarige leeftijd stierf aan kroep. Onze ouders praatten daar weinig over, maar moeder heeft enige maanden voor haar dood, de ziekte en het overlijden van onze oudste broer in details aan mijn vrouw verteld.

In 1926 werd de oorspronkelijke Saksische boerderij verbouwd: er kwam een dwars voorhuis voor en we kregen electrisch licht, hetgeen overigens spaarzaam gebruikt werd. Wanneer wij ‘s-avonds, wat te vroeg naar vaders mening, de lamp wilden aandoen, dan zei hij steevast: “Och, dat is nog niet nodig! Ik kan mijn geld nog wel tellen”.
Onze ouders hebben altijd hard gewerkt, goed voor ons gezorgd en steeds sober geleefd. Alles wat ze zelf konden doen, dat deden ze zelf ook. Aangezien we veel fruitbomen en bessestruiken hadden, werd er ‘s-zomers geweckt en bessen geplukt. In het najaar werden er zoete appeltjes gedroogd.
Vader was een echte doe-het-zelver: hij knipte ons de haren, verzoolde de schoenen, spijkerde leertjes over de klompen, herstelde gereedschappen, stopte jute zakken en als hobby hield hij bijen. In 1932 of 1933 bouwde hij zelf een kippenhok annex kuikenhok met volledige inventaris. De huisslachting voor ons en voor tante Door van “het Leemstuk” deed hij elk jaar zelf. De verwerking hiervan was voor vader en moeder altijd een heel karwei.
Naast het fruit was er ook met de moestuin de aardappelakker en het korenveld steeds werk aan de winkel: om van het vee en de weilanden maar te zwijgen. De aardappels moesten ingekuild, het koren en de winterappels en –peren op zolder opgeslagen worden.
Voor de smid en de klompenmaker werden het hele jaar door agrarische werkzaamheden verricht. Dit drukte of compenseerde enigszins de rekeningen van deze vaklui. De kruidenier die wekelijks per huifkar langs kwam, kocht meteen de eieren op, zodat zijn rekening vaak ook gunstig uitviel.
Hoewel we, voorzover ik weet, geen familie in Hamelen hebben, was vader ook een goede
rattenvanger. Op een zondagmiddag lichtte hij eens een dakpan op, greep zo maar met een hand een rat, kwakte hem op de grond, de hond er even bij, en …hebbes!
In de oorlogsjaren hebben we eerst uit Den Haag een paar evacuees gehad; oom Willem en tante Marie, een neef van vader en zijn vrouw, die in de voorkamer woonden en later in Doesburg onderdak vonden. Die hadden het idee dat wij slapende rijk werden!
Later, na de slag om Arnhem, kwam er een groot aantal mensen uit de Betuwe, uit Gendt. Zij sliepen in de voorkamer op kermisbedden. We woonden toen met ruim twintig man in het voorhuis. Er moest in twee ‘ploegen´ worden gekookt en gegeten. Hoe moeder dat altijd klaar gespeeld heeft, is me nu nog een raadsel.

We hadden nog een gelukje dat er zich onder die evacuees een slager bevond, die met ‘noodslachtingen’ wel raad wist.
In dezelfde winter hadden we in het achterhuis ‘s-nachts een groot aantal Todt-arbeiders te slapen.
Tijdens de oorlog bleek vader nog een andere vaardigheid te bezitten, namelijk boter karnen. Voor boter, eieren en melk was toen wel aftrek.
Na de oorlog werden vader en moeder voor de moeilijke keuze gesteld: hun pachtboerderij kopen of verhuizen. Na veel wikken en wegen besloten ze tot het eerste.

In die periode werd vader kerkmeester van de St. Martinusparochie in Doesburg. Een aardige bijzonderheid: na de vergaderingen van het kerkbestuur werd er wel eens een kaartje gelegd. Hoe het spel heette, weet ik niet, ik meen: dobbelkoppen. Vader kende het niet, maar “wilde wel een potje meedoen”, zoals hij zei. De andere kaarters dachten hun slag te slaan. Naar na afloop ging vader wel mooi met de winst naar huis.
Hij is mee geweest naar Utrecht om de plannen voor de bouw van een kerk in Angerlo goedgekeurd te krijgen. In 1951 werd deze kerk, een bij-statie van Doesburg, in gebruik genomen. Jarenlang is vader op zijn fietsje de katholieke gezinnen in Angerlo wezen bezoeken om de toegezegde kerkelijke bijdragen op te halen. Daar hield hij een secure boekhouding van bij. Op zijn bidprentje staat daarom heel terecht; Angerlo heeft aan hem veel te danken.
Moeder is altijd min of meer in de schaduw gebleven. Dat lag waarschijnlijk ook wel aan de toenmalige opvattingen over het huwelijk.

Onze ouders hebben weinig met ziekte of ongelukken te maken gehad. Gelukkig maar!!!;
want… ze waren in die tijd niet verzekerd.Verzekeren werd pas veel later gemeengoed.
In mei 1962 voelde vader zich enige dagen niet zo goed. De dokter vond het raadzaam hem ter observatie te laten opnemen in het St. Elisabeth Ziekenhuis in Arnhem. Daar is hij na vier dagen overleden.
Moeder heeft daarna nog dertien jaar geleefd. Ze genoot een liefdevolle verzorging van Ap en Cathrien. Ze deed wat licht huishoudelijk werk, breide sokken voor de (klein) kinderen en ze las veel. Regelmatig logeerde ze ‘s-zomers enige dagen bij de kinderen “in het noorden”. Dan zei ze, vooral de laatste jaren, vaak: “Als me iets overkomt, wil ik in Angerlo wezen. Daar heb ik mijn hele leven gewoond, daar wil ik ook doodgaan”. Zo is het ook gebeurd. Op 18 november 1975, toen Ap en Catrien af en toe naar de maansverduistering gingen kijken, kwam ze aan de deur en vroeg: “Je laat me toch niet alleen?” Ze had kennelijk een bepaald voorgevoel.
Die nacht kreeg ze het heel erg benauwd. Ap en Catrien hoorden dat ze uit bed was.
Nadat de inmiddels gearriveerde dokter haar een injectie had gegeven, ging ze heel rustig liggen en zei: “Nu mag Onze Lieve Heer me wel halen”. Bijna meteen daarop is ze vredig ingeslapen op de morgen van 19 november 1975.
We hebben goede ouders gehad, en we denken met liefde en dankbaarheid aan hen terug.

Wim Staring, Dalfsen